Toen de zomer op zijn heetst was en de bladeren van de bomen slap naar beneden hingen en verlangden naar de herfst, wanneer ze zouden gaan dwarrelen en vallen en op elkaar zouden gaan liggen en andere kleuren zouden aannemen, wanneer het fris zou zijn en helder, met doorzichtige regendruppels aan elk takje en twijgje, gign de eekhoorn uit varen.
Hij stapte in een bootje dat aan de oever van de rivier vastgemeerd lag. Het bootje was rond als de ondergaande zon, zodat hij niet wist wat de voorkant was en wat de achterkant. Zodoende wist hij ook niet welke kant hij op moest varen. Hij trok de roeispanen naar binnen en liet zich meedrijven met de stroom van de rivier.
Het felle zonlicht kaatste van het water naar zijn hoofd en weer terug en hij zag hoe hij de zweetdruppels van zijn voorhoofd wiste, die van zijn kruin steeds maar weer naar voren stroomden.
Hij had het druk met zijn gedachten. Ze lieten hem niet met rust. Hij wilde niet denken, maar het lukte hem niet zijn gedachten in bedwang te houden. zij waren sterker dan zijn wil.
Ze bedachten dat hij niet in een bootje lag, maar in een pan die op het vuur stond. Angstig sprong hij overeind. Het bootje begon heftig te schommelen en sloeg om. De eekhoorn verdween onder water.
Toen hij weer boven kwam was hij woedend op zijn gedachten. Maar het is onmogelijk je gedachten een klap te geven of ze eens hard te knijpen. En terwijl hij dat bedacht dreef het bootje weg en moest hij zwemmen om de kant te bereiken.
Mistroostig hees hij zich op de warme oever en ging op zijn rug liggen. Onmiddelijk sprongen zijn gedachten weer tevoorschijn, alsof ze op de loer hadden gelegen. Ze bedachten voor hem dat hij door de lucht zweefde, als een blad dat lichter is dan de lucht, en dat hij landde voor de deur van de mier, en dat de mier juist naar buiten kwam met een groot glas beukennotensap, ijskoud beukennotensap.
Plotseling waren zijn gedachten weer verdwenen. Ze hadden hem nog net zijn hand laten uitsteken naar het glas. De zon ging onder en de eekhoorn sjokte naar huis. aan de deur van de hut van de mier hing een briefje:
Eekhoorn, ik wist niet of je langskwam, maar toen je langskwam was ik even weg. Mier
De eekhoorn zuchtte. De deur ging open en de mier kwam naar buiten.
'Maar niet heus,' zei hij, met een glimlach die vanachter zijn linkeroor tot ver voorbij zijn rechteroor reikte. 'Ik heb wat lekkers voor je' voegde hij eraan toe.
Tellegen, Toon (2009). Misschien wisten zij alles. Querido's uitgeverij BV: Amsterdam
Geen opmerkingen:
Een reactie posten